Canon van
Provincie Flevoland
Centraal Diergeneeskundig Instituut
Noordoostpolder heeft (had) het Waterloopkundig Laboratorium, Het Nederlands Lucht- en Ruimtevaart Laboratorium en de Duits Nederlandse Windtunnel. Oostelijk Flevoland het CDI.
Voor mijn werk ben ik een paar keer bij dit CDI geweest. Binnen! En da’s een hele klus. Papieren ondertekenen. (Je mag daarna een paar weken niet op een veebedrijf komen)
Eerst door de dubbele sluizen. Gebouw staat onder onderdruk. Douchen. Speciale kleding dragen. Gereedschap en apparatuur is een moeilijk verhaal. En op de terugweg weer dezelfde route. Maar een beleving was het wel.
De Wieringermeer en de Noordoostpolder werden ingericht als landbouwgebieden.
Maar bij Oostelijk en Zuidelijk Flevoland verschoof de prioriteit.
Werd in de Wieringermeer en de Noordoostpolder nog circa 87 procent van de grond toegewezen aan landbouw, in Oostelijk Flevoland daalde dit percentage naar 75, terwijl in Zuidelijk Flevoland slechts de helft van het oppervlak voor agrarisch gebruik werd gereserveerd.

De eerste gronduitgifte van Oostelijk Flevoland begon eind 1962.
Maar daarnaast werden stukken land in materieelbeheer overgedragen aan verschillende onderzoeksinstellingen, waaronder:
- Stichting voor Plantenveredeling (92 hectare)
- Centraal Diergeneeskundig Instituut (393 hectare)
- Stichting Proefstation voor Akkerbouw en Groenteteelt (195 hectare)
- Instituut voor Veevoeding Onderzoek (208 hectare)
- Stichting Proefstation voor de Rundveehouderij (206 hectare)
- Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek (234 hectare)
Oorsprong CDI
De Rijks Serum Inrichting (RSI) was een Nederlandse instelling op diergeneeskundig gebied voor met name gebruiksdieren.
Ze werd in 1904 te Rotterdam opgericht met als hoofddoel:
Het rechtstreeks dienstbaar maken aan de landbouw van de nieuwere veeartsenijkundige gegevens, voornamelijk met betrekking tot de infectieziekten der dieren.
In 1959 fuseerde deze RSI en het ‘Staatsveeartsenijkundig Onderzoeksinstituut’ (SVOI) tot Centraal Diergeneeskundig Instituut’ (CDI) en vestigde zich op het landgoed Houdringe bij De Bilt.
Ir. A.P. Minderhoud, landdrost van de Zuidelijke IJsselmeerpolders wist het CDI in 1982 naar Oostelijk Flevoland te lokken.
Bouw
Na jaren van plannen maken kon in 1978 gestart worden met de bouw van een nieuwe hoofdvestiging aan de Edelhertweg te Lelystad.
Het uiteindelijke ontwerp van de architecten Ir. H. E. van Gelder (Regionaal architect Rijksgebouwendienst) en Ir. G. J. Kaper (Architectenatelier Kaper, Brommer en De Soeten) is geheel in laagbouw uitgevoerd.
De totale lengte bedraagt meer dan anderhalve kilometer, met een netto gebouwen oppervlak van 15.000 m2 op een terrein van 60 hectare. De gebouwen liggen noord-zuid en zijn verbonden door twee oost-west verlopende verbindingsgangen (de „centrale” gang en de stallengang). Zij hebben alle dezelfde doorsnede. Zij liggen 30 meter hart op hart met een onderlinge afstand van 15 meter. De gebouwen zijn in negen rijen gegroepeerd, naar hun functie in drie delen te splitsen: de onderzoekslaboratoria (per vleugel één discipline) en productie afdelingen; de ondersteunende afdelingen (directie, administratie, magazijnen, technische dienst etc.) en het stallencomplex, uitgerust met multipurpose
boxen: dierenverblijven geschikt voor meer dan één diersoort.
In vergelijking met de vestiging Virologie, welke geheel beveiligd is op basis van onderdruk, draagt het hoofdgebouw een meer open karakter. Wel zijn ook daar, de daarvoor in aanmerking komende afdelingen, laboratoria en ruimten door over- dan wel onderdruk beveiligd.

Opening
Op 4 oktober 1982 werd het gebouw officieel geopend in aanwezigheid van enige honderden genodigden.
Z.K.H. Prins Claus was helaas door ziekte verhinderd om de opening te verrichten. Na het welkomstwoord van de heer W. J. Lokhorst, de voorzitter van het bestuur van de Stichting CDI, droeg de heer Ir. J. Lahuis namens de Rijksgebouwendienst het complex over aan het Ministerie van Landbouw & Visserij, vertegenwoordigd door de Secretaris-Generaal de heer Mr. G. J. van Dinter.
Na het dankwoord van de heer Drs. P. H. Bool, de Algemeen Directeur van het CDI, stelde de heer Drs. J. P. A. Gruyters, Burgemeester van Lelystad, het gebouw officieel open door de onthulling van een plaquette met de beeltenis van de grondlegger van het CDI, Prof. dr. Jan Poels.

Eersete paal
Nieuw Diergeneeskundig Instituut in Lelystad
LELYSTAD – Dezer dagen vond de officiële opening plaats van het nieuwe Centraal Dierengeneeskundig Instituut in Lelystad. Het C.D.I. is een onderzoekinstituut van het Ministerie van Landbouw en Visserij. Het heeft een aantal onderzoek-, produktie-, ontwikkelings-, en adviserende taken op het gebied van de diergeneeskunde, die naast uiteraard economische ook volksgezondheids-, milieu- en juridische aspecten met zich mee brengen.
Voor Lelystad is het CDI overigens allang geen onbekende meer. Al 10 jaar zijn hier verschillende onderdelen van het instituut gevestigd, waarvan de afdeling virologie aan de Houtribweg de grootste (130 werknemers) was. Daarnaast kende het instituut vestigingen in 4 verschillende plaatsen in het land, een situatie die nu tot het verleden behoort. In het nieuwe gebouw zijn zon 200 mensen werkzaam.
Het CDI is één van de ruim 30 instituten van het Ministerie van Landbouw en Visserij. Zowel zijn speciale positie binnen het landbouwkundige onderzoek als de onhoudbaar geworden huisvesting hebben het ministerie ertoe gebracht deze nieuwbouw te doen verwezenlijken. De overige landbouwkundige onderzoekinstituten hebben hiervoor een veer moeten laten.
Dat ook het CDI zelf bezuinigingen aan den lijve moet ondervinden in de vorm van een inkrimping van haar formatieplaatsen, is onvermijdelijk. De onderzoekactiviteiten waarvoor dit gebouw de mogelijkheden schept, zullen wellicht minder snel gerealiseerd kunnen worden. De nieuwbouw zal echter ook bijdragen aan een verhoging van de efficiency binnen G. J. van Dinter, secretaris-genehet CDI, waardoor met minder mensen hetzelfde en wellicht meer gepresteerd kan worden aldus mr. raal van het Ministerie van Landbouw en Visserij.
De openingshandeling werd verricht door burgemeester Gruyters van Lelystad. Hij nam die taak over van prins Claus, die door ziekte verhinderd was, maar die wel een telegram met gelukwensen zond.
Morgen is er in het nieuwe CDI-gebouw te Lelystad een open dag. Een ieder die geïnteresseerd is in het werk van het instituut en het nieuwe gebouw is die dag welkom tussen 13.00 en 17.00 uur.
Het gebouw zelf (adres: Edelhertweg 15) is zeker de moeite van het bezichtigen waard, en niet alleen vanwege de omvang: met name het stalcomplex kent een aantal voorzieningen die ronduit modern genoemd kunnen worden. Voorts is het gebouw uitgerust met een uitgebreid pakket aan maatregelen om het energieverbruik in te perken: afgezien daarvan wordt op allerlei manieren energie teruggewonnen. Ook beschikt het gebouw over een eigen krachtcentrale, waarvan de afvalwarmte wordt gebruikt voor verwarmingsdoeleinden.
’tastte men bij de bestrijding van de vele besmettelijke veeziekten volkomen in het duister. Deed zich op de boerderij een geval van besmettelijke ziekte voor, dan stond de boer machteloos. Ook de dierenartsen waren niet in staat gericht hulp te bieden, omdat de kennis op dit gebied grote leemtes vertoonde. Men gebruikte dan ook allerlei hulpmiddeltjes. Zo werden bijvoorbeeld koeien met kopergebrek gevoed met haring. Meer geneeskundig onderzoek was dringend gewenst. De Rotterdamse dierenarts Jan Poels onderkende dit en begon in één van zijn huiskamers met een nader onderzoek naar de oorzaken van besmettelijke veeziekten. De gemeente Rotterdam zag al in een vroeg stadium het belang van zijn onderzoek in een wees hem een laboratoriumruimte boven een school toe.
In 1900 kregen Poels en Lourens (zijn assistent) opdracht van het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel om de ziekten bij het varken te bestuderen, faun onderzoek wees uit dat er in Nederland drie besmettelijke ziekten bij varkens heersten en wel vlekziekte, borstziekte en bacillaire varkenspest.
In 1904 werd het werk van dr Poels officieel erkend; de regering ging over tot instelling van de Rijksseruminrichting (RSI) met Jan Poels als direkteur.
Mond- en klauwzeer (mkz) is een infectieziekte van herkauwers en varkens, die problemen veroorzaakt door het ernstige verloop en door aantasting van praktisch alle dieren op een besmet bedrijf. Het wordt veroorzaakt door een smetstof die zich uitsluitend in bepaalde levende cellen vermeerdert, een virus. De enorme schade die deze ziekte veroorzaakte was in 1929 aanleiding voor de Regering het Staats Veeartsenijkundig Onderzoekings Instituut (SVOI) op te richten met als taak het ontwikkelen van een rationele bestrijdingswijze. Dr. H. S. Frenkel werd tot direkteur benoemd Aanvankelijk werd het instituut ondergebracht bij de RSI, maar de grote besmettelijkheid van het mkz had tot gevolg dat daar regelmatig dieren ongewild ziek werden. Dit probleem werd opgelost door het onderzoek over te brengen naar een nieuw gebouw in Amsterdam, dat in 1941 betrokken werd.
Door toename van omvang en aantal taken van het instituut werd het gebouw in Amsterdam spoedig te klein. Ook de isolatiemaatregelen konden niet meer in overeenstemming gebracht worden met wat vóór de aan het eind van de jaren vijftig noodzakelijk geacht werd. Een lange periode van voorbereiding op nieuwbouw nam een aanvang. Pas na het samengaan in 1959 van RSI en SVOI in de Stichting voor Diergeneeskundig Instituut, werd de beslissing genomen het nieuwe instituut te vestigen in Oostelijk Flevoland. Dit heeft nu zijn voltooiing bereikt met de opening van het nieuwe complex.
Prof.dr. J. Poels grondlegger van de Rijks Serum inrichting. Zittend: dr. Lourens.
Nieuwe methoden en een moderne aanpak geven de mogelijkheid bepaalde ziekten zoals de klassieke varkenspest beter onder controle te krijgen.
