De plannenmakers

 


Plan Kloppenburg en Faddegon

In 1848 lanceerden J. Kloppenburg en P. Faddegon het eerste in de reeks plannen die zouden leiden tot de uiteindelijke Zuiderzeewerken. Beide heren hadden echter geen verstand van water, Kloppenburg was zeepfabrikant en Faddegon was werktuigbouwkundige. Ze gingen in hun plannen dan ook niet in op de techniek van het droogleggen van de gebieden. Het plan omvatte het droogleggen van het IJ en het grootste deel van de Zuiderzee. Deze zou afgesloten worden door een dijk van Enkhuizen naar Stavoren. In het drooggevallen gebied diende een nieuw kanaal aangelegd te worden om Amsterdam met de zee te verbinden. Het plan hield geen rekening met de waterafvoer van de IJssel en was daarom onhaalbaar.

 

 

 

 

 

Plan Van Diggelen
Een jaar later, in 1849, stelde Ir. B.G.P. van Diggelen een nog ambitieuzer plan voor. Niet alleen zou de Zuiderzee ingepolderd worden, maar ook flinke delen van de Waddenzee, waarnaar hij in 1845 en 1846 op verzoek van de Friese Commissaris van de Koning onderzoek had gedaan. Van Diggelen, een praktisch man met grote aandacht voor de sociale noden van zijn tijd, had wel rekening gehouden met de afwatering van de IJssel.

Hij had namelijk eerder, in zijn woonplaats Zwolle, zich al ingespannen voor verbetering van de Overijsselse en Drentse scheepvaartverbindingen met de Zuiderzee. Wat tenslotte had geleid tot de aanleg van beschermende strekdammen nabij het huidige Keteldiep (zie Kraggenburg), en door na-ijver van anderen helaas ook tot zijn politiek echec en tot de Tweede Parlementaire Enquête (1855). Het plan Van Diggelen stond ten gevolge daarvan lange tijd niet in de belangstelling tot in de jaren '60 van de 19e eeuw de waterkering problematisch werd en door stijging van de grondprijzen de interesse in landaanwinning toenam.

De ingenieurs T.J. Stieltjes en J.A. Beijerinck bekeken het plan en kwamen tot de conclusie dat het technisch en financieel onhaalbaar was

 

 

 

Plan Beijerinck
Inpoldering van het ondiepe zuidelijke deel van de Zuiderzee zou echter wel haalbaar zijn. Beijerinck stelde in 1865 een eigen plan op. Met een afsluitdijk van Enkhuizen over Urk naar het Keteldiep bij Kampen zou het zuidelijk deel van de Zuiderzee afgesloten worden en vervolgens zou het met stoommachinerie drooggelegd worden. Het plan Beijerinck werd uiteindelijk afgekeurd doordat de Raad van Waterstaat tot de conclusie kwam dat het project financieel te weinig opbracht.

 

 

 

 

 

 

 

Plan Stieltjes
De raad liet echter wel de mogelijkheid open dat een beter opgesteld plan wel een concessie zou krijgen. Stieltjes probeerde het plan Beijerinck te verbeteren en stelde bredere boezemkanalen voor de afwatering voor. Verder voorzag zijn plan in een kanaal van het IJ naar de Ketel, de Zuidelijke IJsselmonding.

 

 

 

 

 

 

Plan Leemans
Het eerste plan dat serieus overwogen werd uit te voeren, kwam van Ir. W.F. Leemans. Leemans kreeg direct van de regering opdracht een plan op te stellen om de Zuiderzee droog te leggen. Het plan van Leemans was beperkter dan dat van Stieltjes, Urk zou een eiland blijven. De Zuiderzee zou afgesloten worden met een dijk van Blokkershoek naar de Ketel. In 1877 werd een wetsvoorstel ingediend om het plan Leemans uit te voeren, maar een volgende regering trok het weer in.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Plan Opperdoes Alewijn en Kooy
Het plan Opperdoes Alewijn en Kooy (1870-1873) voorzag in een Afsluitdijk tussen Wieringen en Friesland, in combinatie met een aantal bedijkingen, zo ongeveer van de latere Wieringermeer en het gebied ten oosten van de lijn Stavoren-Keteldiep.

In 1866 mengde Pieter Opperdoes Alewijn, bestuurder van verschillende waterschappen in Noord-Holland, zich in de discussie.
In een open brief aan Thomas Stieltjes vroeg hij zich af of het niet veel beter was, om in plaats van de door Beijerinck ontworpen dijk Enkhuizen-Urk-Kampen een afsluitdijk aan te leggen van Wieringen naar Hindeloopen.
Dit voorstel vormde de basis van een ontwerp dat hij in 1873 publiceerde.
In 1870 publiceerde de Friese landmeter en waterschapsbestuurder Klaas Kornelis Kooy een eigen variant. Hij stelde voor om een afsluitdijk aan te leggen van Wieringen naar Zurich met uitwateringssluizen nabij de Friese kust.
Met die afsluiting wilde hij op de eerste plaats de veiligheid van de omliggende provincies verbeteren. Uitvoering van het plan-Beijerinck zou volgens hem leiden tot hogere stormvloeden langs de Zuiderzeekusten van de noordelijke provincies. Daarop waren de dijken niet berekend.
De ontwerpen van Kooy en Opperdoes Alewijn werden in het wetsontwerp van 1877 volledig genegeerd. Opmerkelijk is wel dat de Afsluitdijk die in de jaren 1927-1932 werd aangelegd het reeds door Kooy voorgestelde tracé volgt. Ook de locatie van het noordelijke sluizencomplex bij Kornwerderzand kwam al voor in het voorstel van Kooy.

 

 

 

 

 

 

 

 

Plan Stevin
De eerste plannenmaker was Hendric Stevin. In het Twaalfde Boek van zijn Wisconstich Filosofisch Bedrijf uit 1667, stelde hij voor om “het gewelt en vergif der Noortzee uytter Verenigt Nederlant te verdrijven”. Zijn plan was de Noordzee van de Zuiderzee te scheiden door dammen met sluizen aan te leggen tussen Ameland en Friesland, en tussen de verschillende Waddeneilanden. Tot “bevordering van de Zeevaert der Grootste stadt Amsterdam” wilde hij deze stad door middel van een kanaal met de Noordzee verbinden. Technische middelen ontbraken echter in de zeventiende eeuw om dit plan uit te voeren. Pas in 1848 kwamen Kloppenburg en Faddegon met een nieuw plan voor de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee.

 

 

 

 

 

Plan Buma
A. Buma, lid van de Tweede Kamer en Fries van geboorte, diende in 1882 een wetsontwerp in, waarin de afsluiting en inpoldering van de hele Zuiderzee en de Waddenzee zou worden onderzocht. Buma wilde dit onderzoek omdat veel waterstaatsingenieurs beweerden dat een droogmaking van de gehele Zuiderzee technisch en financieel onhaalbaar was. Zij vonden dat de monding van de IJssel buiten de indijking moest worden gehouden. In Noord-Holland, Friesland en Overijssel bestond echter grote weerstand tegen het alleen maar droogmaken van het zuidelijke deel van de Zuiderzee. Dit zou leiden tot hoge waterstanden en zo mogelijk tot overstromingen elders langs de Zuiderzee en de Waddenzee. In de noordelijke provincies voelde men daarom meer voor het plan, dat Van Diggelen in 1849 al had gepubliceerd.
Het wetsontwerp van Buma stuitte op veel verzet. Buma trok zijn wetsontwerp weer in, maar was nog niet uit het veld geslagen. Zou het onderzoek niet door de Staat kunnen worden uitgevoerd, dan moesten particulieren dit maar doen. Buma nam daarom het initiatief tot de oprichting van de Zuiderzeevereeniging.

 

 

 

 

 

 

Plan Kooy

In 1870 was er het plan van Kooy die een plan neerlegde dat voor het eerst een afsluitdijk van Wieringen naar Friesland voorzag en verder vrij bescheiden was met kleine inpolderingen langs de Zuiderzeekust. Het plan Kooy werd hartstochtelijk gesteund door de waterschapsbesturen van Noord-Holland, Friesland en Overijssel die het grote zoetwaterbekken dat zou ontstaan wel zagen zitten.
Zie verder Opperdoes Alewijn.

 


Plan Wenmakers

De droogmaking van de Zuiderzee wekt de belangstelling van plannenmakers uit het binnnen- en buitenland.
Een particulier die een radicaal en fantastisch bedijkingplan voor de Zuiderzee en de Waddenzee ontwerpt, is de Belg Jerôme Wenmaekers uit Brussel.
Naar aanleiding van de studie van rijkswaterstaatsingenieur W.F. Leemans naar de bedijking van de Zuiderzee in 1875, zendt Wenmaekers in januari 1876 een alternatief plan voor de droogmaking naar het ministerie van Waterstaat in Den Haag. Helaas heeft de Belg zijn plan niet op gezegeld briefpapier geschreven zoals verplicht is in Holland, zodat het door Waterstaat wordt geretourneerd. Op het juiste briefpapier zendt Wenmaekers zijn plan opnieuw naar Den Haag, dat vervolgens voor advies wordt voorgelegd aan de rijkswaterstaatingenieur P. Caland. In de toelichting geeft de Belgische uitvinder een zeer optimistische voorstelling van zijn inpolderingplan, dat voorziet in de drooglegging van de hele Zuiderzee binnen twee tot drie jaar. Bovendien heeft Wenmaekers rekening gehouden met de Hollandse zuinigheid en benadrukt dat zijn Belgische plan goedkoop is:
“Dit werk kan uitgevoerd worden met betrekkelijk weinig kapitaal. Ja, met een crediet slechts van acht à tien miljoenen guldens beschikbaar te stellen in de twee à drie eerste jaren zie ik kans de geheele Zuiderzee droog te maken.”
Het plan voorziet in de aanleg van een nieuwe provincie die met kanalen, wegen, bruggen en sluizen geschikt wordt gemaakt voor de nijverheid en bewoning.
Wenmaekers is bereid om alle kanalen, sluizen, bruggen en wegen kosteloos af te staan, mits de Nederlandse regering de drooggevallen landen en gronden aan zijn Belgische maatschappij in eigendom geeft. Hoewel de Belg de Hollandse rijkswaterstaat ook capabel acht om dit werk te verrichten, heeft hij een werktuig uitgevonden dat alle waterwerken zal overtreffen. Ondanks de bezwaren tegen zijn ontwerp geeft de Belg de verzekering dat zijn technische vinding onfeilbaar is. Voor de uitvoering verzoekt Wenmaekers de Nederlandse regering om een concessieaanvraag voor de droogmaking volgens zijn systeem.
Het technische systeem van waterwerken wordt door Wenmaekers echter niet uit de doeken gedaan in zijn plan. Ter illustratie heeft de Belg wel een kaart bij het plan ingediend, waarop de nieuwe polders en kanalen zijn getekend.
Omdat de droogmaking een taak voor het Rijk is en niet een project voor particulieren en met name omdat de nieuwe technische vinding niet duidelijk is, wijst ingenieur Caland het Belgische plan af. In reactie hierop zendt Wenmaekers een tweede rapport met een extra toelichting van zijn ontwerp. Volgens deze toelichting zijn de totale kosten voor de aanleg nog goedkoper dan de berekening die in het eerste plan is gemaakt. Voor een kapitaal van zes miljoen gulden kan zowel de hele Zuiderzee als de Waddenzee worden drooggemaakt. Het plan is niet alleen goedkoper maar ook veel grootschaliger dan in het eerst voorstel. Het ontwerp bestaat uit de aanleg van:

- 39 polders verdeeld in 16 zogenaamde secties
- 52 bruggen
- 952 km kanalen en ringvaarten
- 24 sluizen met 112 duikers
- 1300 km wegen

Voor het droogleggen van de Zuiderzee gaat het plan uit van drie pompwerktuigen voor elke polder, aangedreven door stoommachines met een vermogen van 240 pk. Voor de hele uitvoering is 3000 man aan personeel nodig.
Volgens de kostenberekening van Wenmaekers blijft er na 17 jaar een positief saldo over voor de Nederlandse Staat van 1,7 miljoen gulden.
Een belangrijk onderdeel komt in het plan echter niet duidelijk aan de orde. Over de nieuwe Belgische techniek die Wenmaekers wil toepassen bij de bedijking wordt geen enkele informatie gegeven. Het inpolderingplan is gebaseerd op een werktuig of waterbouwtoestel waarmee arbeiders in “volle zee “ per dag 100 strekkende meter dijk kunnen aanleggen. De technische specificaties van zijn machine worden niet openbaar gemaakt door de Belg omdat hij zijn uitvinding geheim wil houden totdat hij de concessie voor de droogmaking van de Zuiderzee krijgt van de Nederlandse Waterstaat.
Op advies van Caland gaat de minister van Waterstaat niet in op dit voorstel. Er komen geen onderhandelingen over een concessieverlening, zolang de technische vinding niet openbaar wordt gemaakt door Wenmaekers Vervolgens schrijft Wenmaekers op 29 juni 1876 aan de Hollandse koning Willem III een open sollicitatiebrief, waarin hij verzoekt om een benoeming als hoofdingenieur bij de rijkswaterstaat. In deze brief stelt hij recht te hebben op een baan bij rijkswaterstaat, als compensatie van een andere Belgische uitvinding die hij voor de bouw van de spoorbrug over het Hollands Diep heeft bedacht. Hiervoor heeft hij echter nooit een vergoeding ontvangen. Bovendien is hij in waterstaatsdienst per direct beschikbaar wanneer de droogmaking van de Zuiderzee begint. Net zoals het Zuiderzeeplan wordt ook de sollicitatie afgewezen door de minister van Waterstaat, die de Belg het advies geeft om weer te solliciteren als er een vacature is.
In een laatste poging tot aanvaarding van zijn ideale plan zoekt Wenmaekers de publiciteit. Hij schrijft een open brief naar de krant Het Nieuws van den Dag, die in de editie van 17 november 1876 wordt geplaatst. In deze ingezonden brief brengt hij opnieuw zijn plan voor de droogmaking van de Zuiderzee als het beste ontwerp onder de aandacht:
“Wat de Zuiderzee is, en wat zij worden moet, wordt door mij, met richting van kanalen en dijken en cijfers aangetoond. Welk plan behelst meer? Mij is er geen bekend. […] Volgens mijn stelsel kan ontwijfelbaar de Zuiderzee in acht jaren tijds geheel ingedijkt en van hare ringkanalen voorzien zijn. […] Dit alles kan geschieden voor honderd tien millioen gulden, en opdat alle twijfel hieromtrent mag ophouden, wil de ondergeteekende, of eene maatschappij die hij daartoe zal vestigen, de uitvoering voor gemelde som op zich nemen, waarvan de betalingen slechts behoeven te geschieden, voor en na dat deugdelijke, doeltreffende werken vervaardigd zullen zijn.“ Deze publiciteit heeft geen enkele resultaat, en de Hollandse minister van Waterstaat blijft bij zijn standpunt. In 1876 komt dit Belgische plan niet tot uitvoering doordat Wenmaekers zijn machine voor de dijkbouw geheim houdt voor de Waterstaat.
Het plan van Wenmakers is gelukkig nooit gerealiseerd want het is een van de meest radicale plannen voor de inpoldering van de Zuider- en Waddenzee uit de 19de eeuw die zijn voorgesteld. Of de Belg in 1876 een nieuw waterwerktuig voor de dijkbouw heeft uitgevonden, is onbekend. In de archieven van de Hollandse Waterstaat is hiervoor geen enkele aanwijzing te vinden.